Eerder legde Paramhamsa Vishwananda meer uit over de belangrijkste vieringen tijdens de Kartik maand.

Rāsa-kartik die de Rāsa-līlā van Lord Krishna viert, nadat de gopi’s urenlang naar Hem gezocht hadden:

“De gopī’s waren om niets of niemand anders bezorgd. Het kon ze niet schelen als ze de volgende dag geen eten zouden hebben. Het kon ze niet schelen of ze de volgende dag door hun echtgenoten het huis uit zouden worden gegooid, of dat hun kinderen hen zouden afwijzen. Geen van deze dingen maakte hen wat uit. Ze wilden enkel Kṛṣṇa. Uiteindelijk verscheen Kṛṣṇa toen voor hun ogen en met grote Liefde voerde Hij de Rāsa-līlā uit.”Tijdens de Rāsa vervulde Kṛṣṇa alle wensen van de gopī’s. Elk van de gopī’s had haar eigen Kṛṣṇa, omdat elk van hen die speciale bhāva had en dacht: ‘Kṛṣṇa is van mij en ik ben van Kṛṣṇa.’ Kṛṣṇa vermenigvuldigde Zich dus. Voor elke gopī was er één Kṛṣṇa en in het midden bevonden zich Śrīmati Rādhārani en Kṛṣṇa Zelf.”Daarna dansten ze in de zoete Liefde van de Heer. Deze dans, de rāsa, is jñāna-yoga, karma-yoga en bhakti-yoga tegelijk. Het is een biryani van deze drie vormen van yoga. De gopī’s prezen Kṛṣṇa en prezen Zijn Goddelijke activiteiten, door Zijn lof te zingen en te mediteren op Zijn glorie. Dat is jñāna. Daarna dansten ze met Kṛṣṇa en stemden zich bij elke stap af op Hem. Die moeite om zichzelf tijdens het dansen en zingen af te stemmen is karma-yoga. Uiteindelijk bereikten ze een staat van harmonie met Kṛṣṇa en hielden ze Kṛṣṇa in hun armen. Ze hielden Hem stevig vast. Dat is bhakti-yoga.”
Fragmenten uit de toelichting van Paramahamsa Vishwananda op de Bhagavatam, Mahā-rāsa līlā, Canto 10, hoofdstuk 32, vers 2

Damodara-kartik die de damodra-līlā van Lord Kṛṣṇa viert:

“Terwijl Hij naar Zijn moeder keek, die hijgde om Hem in te halen, zei Kṛṣṇa tegen Zichzelf: ‘Ze doet haar plicht. Nu dat ik haar aandacht heb, zal ik me door haar laten vangen.’ Dus toen Hij Yaśodā in deze vreselijke toestand zag, liet Hij Zich vangen. Zodra ze Hem ving, sprak ze de straf uit: “Ik zal je aan deze vijzel vastbinden.” Ze zei tegen de vrouwen in de buurt: “Ga een touw voor me halen!” De vrouwen antwoordden: “Nee.” Yaśodā beval heel boos: “Ga een touw voor me halen!” Toen gingen ze maar, terwijl ze dachten: “We kunnen haar nu beter niet tegen spreken, anders loopt het niet goed voor ons af.”

“Toen Yaśodā Kṛṣṇa aan het touw probeerde te binden, was het touw twee centimeter te kort. Er werd nog een stuk touw gebracht, maar ook samen waren beide touwen nog steeds twee centimeter te kort. Hetzelfde gebeurde nog een paar keer. Yaśodā begreep niets van dit mysterie. Ze transpireerde en was erg boos. Toen Kṛṣṇa haar in die toestand zag, liet de barmhartige en meevoelende Heer Zich aan de vijzel binden. Daarna ging Yaśodā haar huishouden doen.”

“Wanneer de bhakta, de minnaar, op zo’n manier naar de geliefde Heer toerent, heeft de Heer geen andere mogelijkheid dan Zich over te geven. Men zegt dat zelfs de bloem die Yaśodā op haar hoofd droeg aan haar voeten neerviel. Alle lof aan Yaśodā Maiya!”

Fragmenten uit de toelichting van Paramahamsa Vishwananda op de Bhagavatam, Canto 10, hoofdstuk 9, vers 12

Govardhana-kartik die de Govardhan-līlā van Lord Krishna en de bewoners van Vṛndavāna viert:

“Vandaag wordt de pūjā van de Govardhana uitgevoerd. Govardhana is de berg die Lord Kṛṣṇa op Zijn pink droeg om de inwoners van Vṛndavāna te beschermen tegen de toorn van Indra en om het ego van Indra te breken, waarbij Hij Indra aan zijn plicht herinnerde. Hij herinnert ons eraan dat wanneer we een bepaalde plicht in het leven hebben gekregen, we deze plicht met plezier moeten uitvoeren. Dan openbaart de Heer zich.”

Paramahamsa Vishwananda, 24 oktober 2014
“Door zijn yogī’sche kracht nam Kṛṣṇa de enorme vorm van Govardhana aan. Hijzelf werd de Govardhana-heuvel. Tegelijkertijd was Hij nog steeds die kleine Kṛṣṇa. Iedereen deed er de gebeden en chantte de mantra’s, terwijl ze naar de heuvel keken. Plotseling zagen ze een groot gezicht op de heuvel verschijnen, dat al het prasāda begon op te eten, dat ze hadden aangeboden.

“Indra was woedend toen hij merkte dat Kṛṣṇa Nanda en de koeherders ervan overtuigd had, dat ze hem niet langer moesten aanbidden en alle offers aan Giriraj moesten brengen.”

“Daarom stuurde Indra om hen te straffen de saṁvartaka, de donkere wolken die universele verwoesting en volledige vernietiging brengen.”

“De zware wolkbreuk van Indra zette Vṛndavāna in een mum van tijd onder water. De mensen raakten in paniek en sommigen gingen naar Kṛṣṇa en zeiden: “We hebben U toch gezegd dat Indra wraak zou nemen. We hadden niet naar U moeten luisteren. Kijk nu eens wat er met ons gebeurt!” Aan de andere kant vielen de gopī’s aan de Voeten van Kṛṣṇa en zeiden: “We zoeken onze toevlucht bij Uw Voeten.” Allemaal omhelsden ze Kṛṣṇa en zeiden: “U bent onze redder. Het maakt niet uit. Zelfs als we moeten sterven, sterven we samen met U. Wat voor mooiere dood kan er zijn?” Dus zochten ze snel hun houvast bij Kṛṣṇa.

Toen Kṛṣṇa de toewijding van de gopī’s en gopa’s zag, ging Hij naar de Govardhana-heuvel. Met Zijn yogakracht tilde Hij de Govardhana met Zijn pink op. Toen zei Hij tegen iedereen: “Kom onder deze paraplu staan. Neem je familie, je vee, je bezittingen, en zoek beschutting bij de Heer.” Zo kwam de hele bevolking onder de berg te staan.”

“Zeven dagen lang regende het hevig en toen stopte het plotseling. Kṛṣṇa had de hele tijd daar gestaan en de Govardhana-heuvel omhoog gehouden en iedereen en alles beschermd wat eronder lag. Toen vroeg Kṛṣṇa iedereen te vertrekken en langzaam plaatste Hij de Govardhana-heuvel weer op de grond. Vol bewondering begon iedereen Kṛṣṇa te prijzen. Door Zijn superkracht en Goddelijke vermogen had Hij de mensen van Vṛndavāna beschermd.

Op dat moment werd Indra nederig. Zijn trots en arrogantie waren gebroken. Hij besefte zijn fout. Hij realiseerde zich dat hij dat wat God hem had gegeven te doen, had overtreden. Hij beschouwde zichzelf als de ‘heer van het volk van Vṛndavāna’ en had zijn plicht niet goed gedaan. Hij besefte ook dat Bhagavān, ook al had Hij zich in beperkte vorm gemanifesteerd, nog steeds dezelfde Onbegrensde Heer was. En de Heer staat boven alle regels en voorschriften. Hij is helemaal niet gebonden aan enige regels.”

“Bhagavān die de Govardhana optilt vertegenwoordigt de guru die iedereen onder Zijn bescherming neemt.”
Fragmenten uit de toelichting van Paramahamsa Vishwananda op de Bhagavatam, Canto 10, hoofdstuk 25, vers 4-5

In 2019 hebben de devotees uit Mauritius tijdens het bezoek van Paramahamsa Vishananda aan hun tempel Giridhari, Krishna die de Govardhana berg optilt, van aarde gemaakt.